Het verhaal van A
- A was 23 jaar. Zijn leven zag er zo rooskleurig uit. Hij zat in het derde jaar van de studie Civiele Techniek aan de universiteit van Damascus èn hij was gestart met de studie klassiek viool aan het conservatorium. Met vrienden had hij een eigen studio waar hij vioolles gaf, regelmatig trad hij op als commercieel musicus. De Syrische samenleving was echter binnen een paar jaar geleidelijk aan zo veranderd dat het gevoel van onveiligheid het dagelijks leven aantastte, studeren en werken werd steeds ingewikkelder.
A: ‘De eerste keer dat dit echt tot me doordrong was in 2012. We stonden met een hele groep studenten in de tuin van de kantine van de universiteit koffie te drinken, toen plotseling voor ons 4 RBJ’s* neerkwamen.’ (RBJ-CS is een moderne herlaadbare, raketwerper voor de korte afstand die 90 mm-raketten afvuurt).
Het heette in die tijd dat alle gebieden die onder Assad vielen, onder controle waren; de werkelijkheid was anders. Verschillende groeperingen verzetten zich tegen het regime, zoals:
- de Syrian Free Army
- de zogenaamde Onafhankelijken die bestonden uit afgevaardigden van de VS, Turkije en Saoedi-Arabië
- Islamitische Staat die samenwerkte met al-Nusrah waarvan Abu Mohammad al-Jolani, – de bijnaam van Ahmed al-Sharaa, de leider was.
A: ‘Het was een volkomen onduidelijke situatie. Je wist nooit van wie de aanval kwam, en eigenlijk deed het er nauwelijks toe. De schrik sloeg je om het hart als je zag wat die raketten aanrichtten: de gewonden, de doden die vielen, de verwoestingen. We voelden ons alsof we in een oneindig donkere tunnel gedreven werden waar geen plek was om te schuilen.
In die tijd begon mijn vader er bij mij op aan te dringen om te vertrekken. Hij vertrouwde de situatie niet. Ik kom uit het Zuiden van Syrië, uit een niet-religieuze familie met liberale ideeën. Ik had lang haar en droeg een oorbel, beide pasten niet in Syrië. Ik heb overwogen naar Rusland te gaan, er waren bureaus die deze reis voor veel geld regelden, maar ik wilde niet weg. Ik had een vriendin en vrienden. Als je tussen de 18 en 24 jaar bent, ben je idealistisch, je wilt iets doen voor de maatschappij, je wilt werken aan een betere toekomst.
In 2013 woonden we in een kleine stad bij Damascus die viel onder het bewind van Assad. Ons huis grensde aan een bos. Aan de andere kant van het bos lag een dorp dat in handen was van Islamitische Staat. De herrie van de raketten van Assad die regelmatig overvlogen waren we gewend, maar op een dag hoorden we dichtbij zo’n verschrikkelijk lawaai dat de schrik ons om het hart sloeg. Twee raketten bleken ingeslagen te zijn in het huis van onze buren. De ravage was onvoorstelbaar groot, ook de muren en ramen van ons huis waren kapotgeslagen, geen meubelstuk was heel. Mijn vader, een neef en ik zaten in de raamloze binnenkamer van ons huis, daardoor zijn we gespaard gebleven.
In de omgeving waren vaker van dit soort acties, we wisten dat dit kon gebeuren, toch dachten we niet aan vluchten. Onze hele familie woonde daar, onze vrienden woonden in de buurt. Niemand kwam op het idee om weg te trekken. Je denkt dat je wat kunt doen en je hoopt nog dat het goedkomt.
Mijn vader woonde voor zijn werk een paar dagen per week in Damascus. Ik woonde bij hem. Mijn zussen verbleven in die tijd bij mijn moeder in het Zuiden, we hadden twee huizen. Omdat mijn oudste zussen naar de universiteit wilden, verhuisde mijn moeder met hen en mijn jongste zusje naar ons huis in Damascus. De verhuizing betekende een achteruitgang voor mijn zussen, in het Zuiden hadden zij volledige bewegingsvrijheid, in Damascus was deze voor meisjes ingeperkt. Mijn jongste zusje ging in het centrum van de stad naar school. Binnen een paar maanden stortten daar vier keer raketten neer, op één dag zelfs 100 RBJ’s, die alles in de wijde omgeving verwoestten. Mijn moeder stond doodsangsten uit.
Vanuit het veilige Nederland realiseer ik me hoe verschrikkelijk het was; we leefden in een macabere wereld: hoe vaker raketten insloegen, hoe gewoner het werd. Humor hield ons overeind. Om bij het conservatorium te komen moest ik een groot plein oversteken. Op een dag vlogen er zoveel raketten over dat ik samen met een vriend dicht langs de huizen liep om niet geraakt te worden. Langs een deel van het plein was geen muur, we renden er zo hard we konden langs om de raketten te omzeilen. Heelhuids hijgend kwamen we in de kantine aan. Vanaf het balkon keken we naar de zigzag rennende mensen op het plein. Het was zo’n gek gezicht, we schoten in de lach. Nu vind ik dat bizar.
Eind 2014, nadat we anderhalf jaar overleefd hadden in een omgeving die meer en meer kapot gebombardeerd werd, verloren we de hoop op verbetering. De eerste familieleden en vrienden trokken weg.
Begin 2015 drong mijn vader er bij mij opnieuw op aan om naar het buitenland te gaan. Ik wilde niet, ik kon mijn familie niet achterlaten. Wel verdiepten we ons in de mogelijkheden. De vluchtprijs was gemiddeld € 7.000,- per persoon. Als je pech had, betaalde je veel meer. Door de slechte economische situatie was geld steeds minder waard geworden. Veel mensen zetten hun huis te koop, de markt stortte in. Een vriend moest drie stukken land verkopen om naar Duitsland te kunnen vluchten. Voor mijn vader zou het betekenen dat hij niet alleen onze beide huizen moest verkopen en onze auto, maar dat ook al zijn spaargeld erin zou gaan zitten, als we allemaal zouden gaan.
Naarmate we langer wachtten – het duurde acht maanden voor we de knoop doorhakten – steeg de spanning thuis. Van familie en vrienden hoorden we over de mogelijkheid van gezinshereniging. Dat bood perspectief. Daarna moesten we beslissen wie als eersten zouden gaan. Mijn moeder en ik samen? Dan moesten we mijn zusje van acht achterlaten zonder moeder en zonder haar geliefde broer. Niet iedereen overleefde de reis. Mijn zusje meende dat zij wel een poosje zonder ons kon, zij wist zeker dat wij veilig zouden aankomen. Mijn moeder kon haar niet achterlaten. De spanning sleepte anderhalve maand voort tot een vriendin van de familie tegen mijn moeder zei: “Wij gaan. Ga mee.” Zij zou met haar 23-jarige zoon en twee vrienden vertrekken. Mijn moeder aarzelde, dat ook de broer van de vriendin mee zou gaan, trok haar over de streep. Mijn moeder zou samen met mijn zusje gaan. Voor twee personen was er genoeg vluchtgeld. Wij zouden later komen.
Oktober 2015 vlogen mijn moeder en zusje naar Irak waar ze overstapten op een vliegtuig naar Turkije. Van daaruit zouden ze met een boot naar Griekenland reizen. Syriërs konden toen nog zonder visum Turkije in reizen, dat veranderde in 2016/2017.
Mijn moeder en zusje hebben toen en later weinig over de tocht gesproken. Het enige wat ze vertelden, was dat de kampen in Turkije verschrikkelijk waren. Een nacht hebben ze samen met 50 andere vluchtelingen in het bos geslapen, waarbij ze overgeleverd waren aan de bewapende smokkelaars. Ze zouden met een grote toeristische boot de overtocht maken. In werkelijkheid moesten ze met bijna 50 personen een plek zien te vinden op een rubberbootje voor 12.
In Irak en Turkije hadden ze regelmatig contact met ons. Daarna werd het stil. Op tv zagen we beelden van een kapseizende boot waarbij vluchtelingen verdronken. Omdat we niks hoorden, waren we doodsbang dat dit lot ook hen getroffen had. In de onzekere nacht die volgde, kreeg een van mijn zussen een hevige paniekaanval. Ze schreeuwde het uit in haar slaap, wij kregen haar niet wakker. Het duurde zeker een uur om haar te kalmeren.
De drie dagen dat er geen contact was, leken eeuwen. In het vluchtelingenkamp in Athene had mijn moeder weer de mogelijkheid ons te bellen.
Mijn moeder had de smokkelaars betaald tot de aankomst in de EU, Griekenland. Eind 2015 was het nog redelijk makkelijk om door Europa te reizen, de uitzondering was Hongarije. Bij de Hongaarse grens raakte mijn moeder haar vriendin kwijt. Samen met mijn zusje reisde ze door. Tweeënhalve week later kwamen ze aan op Amsterdam Centraal.
Mijn moeder sprak alleen Arabisch, mijn zusje had onderweg een paar woorden Turks geleerd. Een vrouw met een bord waarop in het Arabisch de tekst stond: Wij zijn hier voor jou!, verwelkomde hen. Deze vrouw heeft alles voor mijn moeder en zusje geregeld tot Ter Apel. Mijn moeder is met haar bevriend geworden. Na Ter Apel waar ze vijf dagen verbleven, werden ze eind oktober 2015 van de ene locatie naar de andere gestuurd, ze reisden heel Nederland door. Acht maanden later kreeg mijn moeder een verblijfsstatus.
In 2017, een jaar en acht maanden na aankomst in Nederland werd mijn moeder statushouder en kreeg ze een huis toegewezen. Twee weken later kwam de familie, behalve mijn vader, hij mocht het land niet uit.’
A vertrok samen met zijn twee zussen naar Nederland. Zijn moeder had tickets geregeld met hulp van Vluchtelingenwerk. Onderweg volgde er een angstig ogenblik. Overal in Syrië waren militaire checkpoints. Vlakbij de grens werden ze staande gehouden, A werd apart genomen. Hij had, omdat hij de enige zoon was in het gezin vrijstelling voor militaire dienst. De militairen wezen hem op zijn verantwoordelijkheid voor het land die zij wel op zich namen en hij niet, op de plicht die hij verzaakte. Zeker tien minuten oefenden ze psychologische druk uit, met de minuut werd het ondraaglijker.
Vanuit Libanon vlogen ze via Egypte naar Amsterdam. In Nederland mochten ze twee nachten bij hun moeder en zusje blijven, de derde dag moesten ze naar Veenhuizen voor de aanvraag van een verblijfsvergunning. Details uit die tijd is hij vergeten.
A: ‘Je lichaam is hier, maar jij bent nog daar. Het was een totaal nieuwe situatie. Je komt uit een oorlogsgebied. Hier was het veilig. Mijn zussen en ik deelden een kamer. Het eten was verschrikkelijk, maar als je zo lang geleefd hebt in een onveilige situatie, accepteer je veel.’
Een week later keerden ze met een ID-kaart terug naar het huis van moeder.
De eerste drie, vier maanden vormden de taal en de andere gewoontes een probleem. In Syrië had hij op de middelbare school Engelse les gehad, Engels gesproken had hij nog nooit. Er moest in die begintijd veel geregeld worden. In Syrië ging je in zo’n geval zelf naar de instanties toe, hier ging alles per mail wat een heel geworstel was. Als hij er niet uitkwam, hielp zijn zusje. Omdat hij de taal niet sprak, kon hij niet werken. In de overvloed aan vrije tijd sloeg de verveling toe. Sociaal contact maken was moeilijk, hij miste zijn vrienden en kreeg psychische problemen.
In september begon de Nederlandse les.
‘Dat was goed geregeld: drie keer per week 4,5 uur les. Het hielp om contact te leggen. Tijdens een bijeenkomst voor Nederlanders en Nieuwkomers in de plaatselijke Protestantse kerk, kookte mijn moeder Syrische gerechten. Ze vertelde terloops dat ik viool speelde. Prompt werd ik uitgenodigd om in de kerk te komen spelen. Na mijn eerste optreden raakte ik met een vrouw in gesprek. Toen ze hoorde dat ik als musicus geen plek had om te oefenen, wees ze me op de oefenruimtes in het cultuurcentrum.
Daarna volgden meer optredens. In een buurthuis ging het muzikale deel goed, maar mezelf presenteren ging moeilijk. Er kwam een vrouw naar me toe. Zij vond dat ik al heel goed Nederlands sprak en informeerde ons over de Schakelklas van hogescholen.’
In juni 2018 sloot hij de Nederlandse lessen af op niveau B1, de startkwalificatie voor hoger onderwijs. Na de Schakelklas wilde hij de studie Civiele Techniek weer oppakken en het jaar daarop, net als in Syrië, deze combineren met een muziekopleiding, Gedurende het jaar bleek zijn Nederlandse taalvaardigheid ontoereikend voor deze studie. Nog vol van idealen besloot hij iets met politiek te gaan doen en hij meldde zich aan voor de internationale opleiding Europese Studies. Hij was nauwelijks gestart of de coronapandemie brak uit.
‘Niemand wist precies wat te doen, lessen werden online gegeven, het was slecht geregeld. Ik hoopte met de studie een sociaal leven op te bouwen. Toen de hogeschool bij de start van het tweede studiejaar besloot het gehele jaar online les te geven, ben ik aan het eind van dat jaar gestopt. Dit was niet wat ik wilde.’
Hij meldde zich aan bij twee conservatoriums, deed auditie en werd bij beide aangenomen.
A: ‘Vaak krijg ik de vraag van mensen: “Hoe vind je het hier? Blijf je?”
In het begin zei ik altijd meteen: “Leuk.” Later begon ik er meer over na te denken. Het is geen keus om hier wel of niet te zijn, geen vrije keuze. Het voelt als moeten kiezen tussen twee kwaden. Ik had nooit gedacht dat ik Syrië ooit zou verlaten. Het is een mix van conflicterende gevoelens: een thuisgevoel en een niet-thuisgevoel. Ik ben hier veilig, maar ik hoor hier niet.
Tijdens het jaar Europese Studies drong dat een keer heel sterk tot me door. Ik stond met een aantal medestudenten in de lift. Ze voerden een discussie over de problematische situatie met de vluchtelingen in Turkije en dat Hongarije de vluchtelingenstroom wilde stoppen. Een Italiaanse medestudent zei:
“We don’t want those migrants here. Fuck them. Let them die in the sea.”
Niemand reageerde.
Ik wist niet wat ik moest zeggen, ik was de enige vluchteling in mijn studiejaar.
Soms vragen mensen me of ik verwachtingen had van Nederland. Ze realiseren zich niet dat je daar niet over nadenkt. Je zit in een verschrikkelijke situatie en je vraagt je alleen af hoe je daar uitkomt. Je bent bezig met weggaan. Je kijkt niet verder.
Aan de andere kant, ik had toen nog wel grote dromen, ik wilde iets doen en betekenen. Daarom wilde ik in Nederland snel weer studeren. Europese Studies leek geschikt, omdat 90% van de studenten uit het buitenland komt. Voor elke vakantie vroegen medestudenten:
“Ga je naar huis?”
Het gebeurt nog steeds dat mensen me dat vragen.
Thuis is nu hier. Als ik op vakantie geweest ben en ik kom terug op Schiphol, is er een gevoel van herkenning, een thuisgevoel. Het station van de woonplaats van mijn moeder voelt vergelijkbaar met aankomen in het dorp van de familie in het Zuiden. Een dubbel gevoel dus: thuis en niet thuis.’
Terugkijkend denkt hij dat de Syrische oorlog misschien was gestopt, als de grote landen zich er niet mee bemoeid hadden. Het probleem was dat al die landen partij trokken, waardoor de verdeeldheid toenam en er chaos ontstond.
A: ‘Samen hebben ze Syrië fysiek en mentaal kapot gebombardeerd. Het duurt generaties voordat het land weer leefbaar wordt.’
Als ik A in oktober 2024 spreek, wordt er in de media over gesproken dat Syrië veilig zou zijn. A heeft nog twee vrienden wonen in Damascus, ook zij willen weg voordat de situatie verder escaleert. Alle anderen zijn vertrokken. Hij kent drie mensen die teruggegaan zijn. Zij hebben fors moeten betalen voor de terugreis. Twee van hen zijn onmiddellijk bij de grens met Libanon opgepakt, zeven uur lang hebben ze zware vernederingen ondergaan, daarna zijn ze vastgezet in de gevangenis. De derde heeft een Duits paspoort waarmee hij kan in- en uitreizen.
A: ‘Ooit zal alles goedkomen in Syrië, maar niet de komende 50 jaar. Die hoop heb ik verloren. De hele cultuur, de maatschappij, de mensen, de waarden, alles is verloren. Het kost generaties om dat weer op te bouwen. Kinderen die na 2011 geboren zijn, hebben geen herinnering aan hoe het was, voor hen is deze wereld normaal geworden.
Wat er gedaan kan worden om de vluchtelingenstroom in te dammen?
Druk uitoefenen op regeringen wereldwijd om zich te verenigen. Als regeringen zich samen keren tegen een oorlog, zal er vrede komen.’
A heeft zijn bachelor gehaald op het conservatorium en is bezig met de intensieve masterstudie. Hij geeft privéles aan een paar studenten en bijna elk weekend treedt hij ergens in Nederland op, zowel voor kleine gezelschappen als in grote concertzalen. Hij heeft een goed sociaal leven, hij heeft een paar goede vrienden en woont bijna samen met zijn vriendin.
Ons afsluitende gesprek waarbij A zou reageren op de tekst, zou half december plaatsvinden. Wat niemand had verwacht, gebeurde begin december 2024.
Het Assad-regime in Syrië kwam na tientallen jaren ten val. Drijvende kracht achter de ineenstorting van het bewind was Abu Mohammad al-Jolani oftewel Ahmed al-Sharaa met zijn rebellengroep Hayat Tahrir al-Sham (HTS).
Al-Jolani de man die in het verleden in opdracht van al-Baghdadi, de latere leider van Islamitische Staat, de organisatie al-Nusrah had opgericht, had zich in de strijd tegen Assad gemengd. In 2013 leverden de aanslagen en al het andere geweld Jolani en zijn groepering een notering op de terrorismelijst van de Verenigde Staten op. Al-Jolani brak met al-Baghdadi toen die hem opdroeg zich aan te sluiten bij het net opgerichte IS, ook met al-Qaida verbrak hij de banden. Hij wilde zich uitsluitend op Syrië richten en noemde zijn nieuwe organisatie HTS. (Bron: NOS Nieuws, december 2024).
Terzelfdertijd vond begin december in Nederland een explosie plaats in een portiekflat waarbij doden en gewonden vielen. Het samenvallen van beide gebeurtenissen riep traumatische herinneringen op aan wat A had meegemaakt in Syrië.
Ons gesprek stelden we uit.
In februari 2025 voerden we ons laatste gesprek. Ik vroeg hem hoe hij tegen de huidige situatie in Syrië aankijkt. Hij vertelde dat de vrienden die in Syrië zijn gebleven, zich nu minder veilig voelen dan daarvoor. De samenleving wordt conservatiever, er is minder ruimte voor andersdenkenden. De nieuwe president mag misschien milder zijn geworden, zijn aanhang volgt strenge Koranregels. Er gaat een filmpje rond waarbij een man werd geslagen met een leren riem, omdat hij met zijn vriendin wandelde. De daders riepen: ‘Hierom zijn we de revolutie niet begonnen.’
Den Haag, september/oktober 2024, februari 2025 Renske Visser
